I SHIN DEN SHIN

In de dojo oefenen we met ons gezicht naar de muur. De muur richt ons op onszelf en spoort ons aan alle afleiding los te laten, tot de blik niet laten ontsnappen maar, in tegendeel, naar binnen te keren. Naar jezelf kijken is de basis van onze beoefening. Je stopt met naar anderen te kijken, je concentreert je op je eigen oefening en tegelijkertijd oefen je samen met de anderen in de dojo.  Deze gezamenlijke beoefening is één van de drie schatten, samen met de Boeddha en de Dharma. De Sangha, de gemeenschap van hen die samen de weg gaan, die aan zichzelf werken en die beoefening willen verdiepen is een echte schat. Meester Keizan voegt hieraan toe: Als je aandachtig oefent, wie is dan de ander en wie ben jij?

Hij sprak van de overdracht van de Boeddha's op de patriarchen in een ononderbroken lijn sinds de Boeddha. Het hart van die overdracht is I SHIN DEN SHIN, van mijn ziel naar jou ziel, van hart tot hart. Het is het hetzelfde worden, realiseren wat we gemeen hebben, dat wat ons bindt, datgene wat uiteindelijk het meest intieme is van ieder wezen, voorbij onze karakters, voorbij onze verschillen, voorbij ons karma. Samen oefenen is de gelegenheid hebben dit te realiseren.

Meester Keizan gaat verder: uiteindelijk is er geen gouden naald en draad. Er is alleen een enkele geest die deel neemt aan de gemeenschap. Vaak zijn we bang voor die ervaring. We zijn gewend om ons te verdedigen. Ons ego heeft ons geleerd "neen" te zeggen, om zich te verzetten. Zo zijn we gehecht geraakt aan dat wat ons verdeeld, aan dat wat ons van de ander doet verschillen. We hebben het contact verloren met dat wat ons verbindt, met dat wat ons fundamenteel op elkaar doet lijken als de golven van eenzelfde oceaan. Als we in contact komen met die dimensie, en dus met ons leven, wordt er iets zichtbaar van de werkelijke en concrete relatie met de Sangha. Dat hoeft geen theoretisch onderricht te blijven. In ons rechtstreeks contact met de ander moeten we niet de verschillen zoeken of erger nog, de verschillen opblazen om daardoor anders te willen zijn, maar zoeken naar datgene wat ons bindt en wat we gemeen hebben. Dat wat de echte geest van welbevinden toestaat aan ons te verschijnen. Het is een geest die wenst om voor de ander te zorgen zoals je voor jezelf zorgt, inderdaad zoals een ouders voor hun kinderen zorgen.

Als we dat niet laten gebeuren in onze beoefening ontbreekt er iets en de oefening kan niet worden doorgegeven. Zen wordt alleen maar doorgegegeven door I SHIN DEN SHIN, van hart tot hart, van geest tot geest, voorbij alle kennis die je omtrent zen kunt verzamelen.

Uit: Le miroir de Bouddha van meester Roland Rech