Hieronder staan de meest gereciteerde sutra's van de Dojo Zachte Rots; aan de linkerzijde de Nederlandse versie en aan de rechterzijde de Japanse.

Het Hart van Overschrijdende Wijsheid

MAKA HANNYA HARAMITA SHINGYO

Bodhisattva Mededogen,

Diep in wijsheid overschrijdend,

Zag de leegte der vijf delen.

Zo vond hij verlossing.

 

Sariputra luister:

Vorm is niets leegte,

Leegte niets dan vorm.

Verschijnselen zijn ledig,

Leegte een verschijningsvorm.

Ook voelen, denken, willen en beseffen.

 

Sariputra luister:

Alles is van oorsprong leeg

En niets ontstaat er of vergaat,

En niets bevuild of onbesmet,

En niets is winst of armoe.

Daarom is er in de leegte ook

Geen vorm, gevoel, denken, wens of besef.

 

Er is geen oog, oor, neus, tong, lijf of brein,

Geen kleur, toon, geur, smaak, aanraking of voorwerp;

Ook geen zicht noch blikveld of bewustzijn,

Geen onwetendheid noch einde aan onwetendheid,

Geen ouderdom of dood.

 

Er is geen lijden en geen aanleiding tot lijden,

Ook geen einde aan het lijden en geen pad.

Men kan hier inzicht niet verwerven of verzaken.

 

Weet dan dat de Bodhisattva,

Niet gehecht aan iets bijzonders,

En gerust in wijsheid overschrijdend

Vrij is van de banden der misleiding.

 

Niets aan angsten onderhevig is verlichting hier bereikt.

Want alle Boeddha’s van verleden, heden en toekomst

In wijsheid overschrijdend,

Komen tot volmaakt ontwaken.

 

Weet dat deze wijsheid dan

De meest verheven lofzang is.

De ongekende mantra welke elke vorm van lijden wegneemt.

Zonder feil onloochenbaar is dit de hoogste wijsheid.

Weet en spreek zijn waarheid nu:[1]

 

VOORBIJ  VOORBIJ

EN OVERSCHREDEN

AL IS OVERSCHREDEN

O, WELK EEN ONTWAKEN:

AL   IS   EEN.

 

[1] Overgenomen van Zen-centrum Prasjna

Darani van de Bodhisattva van Mededogen

Laten we hulde brengen aan de drie schatten en de bodhisattva van het grote mededogen, Avalokiteshvara.

Ohm aan de degene die alle angsten doorsnijdt.

Moge ik, nu ik hem vereerd heb, binnendringen in het hart van de edele en beminnelijke Avalokiteshvara

Met de blauwe hals.

Dit betekent alle betekenissen vervullen. Dat is zuiver en maakt alle wezens tot overwinnaars. Dat zuivert de

de wegen van het bestaan.

En ook ohm aan de ziener, degene die de wereld overstijgt. Hulde aan de grote Bodhisattva.

Alles is bezoedeling. Aarde, aarde, dat is het hart.

Verwezenlijk, open, houd stand!

O grote overwinnaar doe voort, ik doe ook voort.

Aan indra de schepper. Neem mijn illusies weg.

Kom en luister. Vreugde welt in mij op! Spreek!

Hulu, mala, hulu, hile! Sara, Siri, Suru.

Wees ontwaakt, blijf ontwaakt.

O meedogende met de blauwe hals! Dappere, vreugdevolle, heil!

Aan de overwinnaar. Heil!

Vol van succes, heil. Aan degene die tot beheersing van de discipline gekomen is. Heil!

Aan de blauwe hals. Heil.  Everzwijnenkop. Heil! Leeuwenkop. Heil!

Aan degene die een wapen in zijn hand houdt. Heil!

Aan degene die een wiel in zijn hand houdt. Heil.

Aan degene die een lotus in zijn hand houdt. Heil.

Aan degene met de blauwe hals, met de grote kracht. Heil!

Aan de weldoener vernoemd in deze suttra, heil, beginnend met nama, heil.

Hulde aan de drie schatten.

Hulde aan Avalokiteshvara. Heil.

Mogen deze gebeden verhoord worden.

Heil aan deze magische formule.

Het Samadhi van de Kostbare Spiegel

Zo is de dharma op intieme wijze overgedragen door de Boeddha en de patriarchen.

Nu heb je het, bewaar het dus goed.

Als een kom vol sneeuw, als een reiger verborgen in de maneschijn: gelijkend, maar niet hetzelfde;

Van dichtbij zie je de verschillen. Betekenis steekt niet in woorden, maar het beslissende moment

doet het verschijnen. Als je de woorden volgt, trap je in de val; als je ze verwaarloost, begin je te twijfelen.

Woorden afwijzen of je er aan hechten is verkeerd, want ze zijn als een laaiend vuur: nuttig maar gevaarlijk.

Het letterlijk beschrijven is het met vuil besmeren. In het duister van de nacht is het helemaal helder,

In het licht van de dag is het verborgen. Het is de wet die alles regelt; gebruik het om alles te ontwortelen.

Hoewel het niet gemaakt wordt, overstijgt het de woorden niet. Het is als een kostbare spiegel:

Vorm en weerkaatsing weerspiegelen elkaar: jij bent niet dat, maar dat is wel jij.

Het is als een pasgeboren baby, voorzien van de vijf zintuigen, komend noch gaand, verschijnend noch

blijvend: “Baba wawa.” Zegt dat iets of niets? Uiteindelijk niets, want zijn woorden zijn nog niet juist.

Als het trigram ‘vuur’ verdubbeld wordt, werken de binnen- en buitenlijnen op elkaar in.

Op elkaar gezet worden ze drie, omgezet worden ze vijf. Zoals de smaak van de vijfsmakenplant, of

zoals de vijf armen van de vajracepter. Harmonieus in het midden verenigd komen trommel en zang

samen aan. In de bron binnendringen en de Weg opgaan, het landschap vatten en het pad waarderen.

Respecteer dat, veronachtzaam het niet.

Natuurlijk en subtiel is het geen onwetendheid en geen ontwaken. Tussen oorzaken en omstandigheden,

het weer en de seizoenen, is het sereen en lichtend. Het is zo zuiver dat het binnendringt waar geen ruimte is,

Zo ruim dat het elke dimensie overstijgt. Als je er maar een haarbreedte van afwijkt, ben je niet meer in harmonie.

Nu is er het onmiddellijke en het geleidelijke, en daarbinnen vertonen zich de verschillende onderrichtingen

en methodes. Als ze zich onderscheiden hebben ze elk hun normen. Maar of je die onderrichtingen en

methodes nu beheerst of niet, de werkelijkheid blijft doorstromen. Vanbuiten kalm en vanbinnen opgewonden

zijn is als een paard in de knel of een rat op de loer. De wijzen uit het verleden hadden medelijden met hen

en boden hen de dharma aan. Door hun foute visie zagen ze zwart voor wit aan. Als deze foute visies verdwijnen

verwezenlijken ze de geest die natuurlijk harmonieert. Als je de oude Weg wil volgen, kijk dan asjeblieft naar

de wijzen uit het verleden. Wie op het punt staat de Weg van de Boeddha te verwezenlijken heeft de boom

tien kalpa’s lang beschouwd. Het is zoals de kwetsuur van de tijger of het manken van een paard. Net omdat

sommige mensen iets te kort komen, zoeken ze een dure stoel of opgesmukte kleren. Omdat anderen een

ruime blik hebben zien ze dat ze als de bruine en de witte os zijn. Met zijn immense behendigheid kon HIEI

het doelwit van op honderd meter raken. Maar als pijlen elkaar in volle vlucht raken, kan dat toch geen

kwestie van behendigheid meer zijn?

De houten man begint te zingen; de stenen vrouw staat op en danst.

Dit bereik je niet door de gewaarwordingen of het bewustzijn. Wat heeft dit dan met onderscheid te maken?

Ministers dienen hun heer, kinderen gehoorzamen hun ouders. Ongehoorzaamheid druist in tegen de

kinderlijke plicht; wie niet volgt is geen echte minister.

Verberg je beoefening, ga discreet te werk, lijk dwaas of idioot.

Enkel dit blijven doen noemt men een meester onder de meesters.

De Harmonie tussen Verschil en Eenheid.

De geest van de grote wijze van India wordt op intieme wijze van west naar oost overgedragen.

Mensen kunnen scherpzinnig of stompzinnig zijn, maar op de Weg is er geen noordelijke of zuidelijke patriarch.

De spirituele bron schittert helder in het licht, de zijrivieren stromen in het duister.

Gehecht zijn aan verschijnselen is een bron van illusie, maar één zijn met de gelijkheid is nog geen ontwaken.

Alle zintuiglijke objecten zijn onderling afhankelijk en toch ook niet. Met onderlinge afhankelijkheid wordt de

Solidariteit sterker, zonder blijft alles op zijn plaats.

Visuele objecten varieren zowel in kwaliteit als in vorm, geluiden zijn soms aangenaam soms onaangenaam.

In het duister vallen zuiverheid en bezoedeling samen.

In het licht worden zuiverheid en bezoedeling van elkaar onderscheiden.

De vier elementen keren terug naar hun natuur zoals een kind naar zijn ouders loopt.

Vuur verwarmd, wind beweegt, water bevochtigd, aarde is solide.

Oog en zicht, oor en geluid, neus en geur, tong en smaak:

Zo zullen voor alles wat er is de bladeren volgens hun wortels groeien.

Stam en takken delen dezelfde essentie; edel en vulgair zijn maar woorden.

Er is duister in het licht, maar zie het duister niet als duister.

Er is licht in het duister, maar zie het licht niet als licht. Licht en duister verschillen zoals

De voorste en de achterste voet bij het wandelen.

Alle dingen hebben hun verdienste, uitgedrukt volgens hun functie en hun plaats.

Ze bestaan als verschijnselen en passen zoals een pot en zijn deksel. Ze stemmen overeen met het principe,

Als twee pijlpunten die elkaar raken. Als je deze woorden hoort, begrijp dan hun betekenis,

Voer geen eigen categorieën in.

Als je de Weg onder je voeten niet begrijpt kun je het pad waarop je loopt toch niet kennen?

Vooruitgang in de beoefening is geen kwestie van veraf of dichtbij, maar verwarring trekt hindernissen

Op als bergen en rivieren.

Jullie, zoekers van de Weg, laat je dagen alsjeblieft niet in ijdelheid vervliegen.

Kan ji zai bo satsu. Gyo jin han-nya ha ra mi ta ji. Sho ken   go on kai ku. Do is-sai ku yaku. Sha ri shi. Shiki fu i ku. Ku fu i shiki. Shiki soku ze ku. Ku soku ze shiki. Ju so gyo shiki. Yaku bu nyo ze. Sha ri shi. Ze sho ho ku so. Fu so fu metsu. Fu ku fu jo. Fu zo fu gen. Ze ko ku shu. Mu shiki mu ju so gyo shiki. Mu gen ni bi zes-shin ni. Mu shiki sho ko mi soku ho. Mu gen kai nai shi mu i shiki kai. Mu mu myo yaku mu mu myo jin. Nai shi mu ro shi. Yaku mu ro shi jin. Mu ku shu metso do.   Mu chi yaku mu toku. I mu sho toku ko. Bo dai sat-ta. E han-nya ha ra mi ta    ko. Shin mu kei ge mu kei ge ko. Mu u ku fu. On ri is-sai ten do mu so. Ku gyo ne han. San ze sho butsu. E han-nya ha ra mi ta    ko. Toku a noku ta ra san myaku san bo dai. Ko chi han-nya ha ra mi ta. Ze dai jin su. Ze dai myo sho. Ze mu jo shu. Ze mu to do shu. No jo is-sai ku.  Shin jitsu fu ko. Ko setsu hannya  ha ra mi ta shu. Soku setsu shu watsu.

 

Gya tei, gya tei,   ha ra gya tei.

Ha ra so gya tei. Bo ji sowa ka.

Han-hya shin gyo   

DAIHISHIN DARANI

Namu kara tan no. Tora ya ya. Namu ory ya. Boryo ki shi shifu ra ya. Fuji sato bo ya. Moko sato bo ya. Mo ko kya runi kya ya  En. Sa. Hara ha e shu tan no ton sha. Namu shiki ri toi mo. Ori ya. Boryo ki chi. Shifu ra. Rin to bo. Na mu no ra. Kin ji ki ri. Mo ko ho do. Sha mi sha bo. O to jo sho ben. O shu in. Sa bo sa to. No mo bo gya. Mo ha te sho. To j ito en. O bo ryo ki. Ru gya chi. I kiri mo ko. Fuji sa to. Sa bo sa bo. Mo ra mo ra. Mo ki mo ki. Ri to in ku ryo ku ryo. Ke mo to ryo to ryo. Ho ja ya chi. Mo ko ho ja ya chi. To ra to ra. Chiri ni. Shifu ra ya. Sharo sharo. Mo mo ha mo ra. Ho chi ri. I ki i ki. Shi no shi no. Ora san fura sha ri. Ha za ha zan. Fura sha ya. Ku ryo ku ryo. Mo ra ku ryo ku ryo. Ki ri sha ro sha ro. Shi ri shi ri. Su ryo su ryo. Fuji ya. Fuji ya. Fudo ya. Fudo ya. Mi chiri ya.  Nora kin ji. Chiri shuni no. Hoya mono. Somo ko. Shido ya. Somo ko. Moko shido ya. Somo ko. Shido yu ki. Shifu ra ya. Somo ko. Nora kin ji. Somo ko. Mo ra no ra somo ko. Shira su omo gya ya. Somo ko. Sobo moko shido ya. Somo ko. Shaki ra oshi do ya. Somo ko. Hodo mogya shido ya. Somo ko. Nora kin ji ha gyara ya. Somo ko. Mo hori shin gyara ya somo ko. Namu kara tan no tora ya ya.   Namu ori ya. Boryo ki chi.  Shifu ra ya. Somo ko.  Shite do modo ra. Hodo ya. So mo ko.

HÔKYÔ  ZANMAI

Nyoze no hô busso mitsu ni fuu. Nanji ima kore o etari ; yoshiku yoku hôgo subeshi.   Ginwan ni yuki o mori, meigetsu ni ro o kakusu. Rui shite  hitoshikarazu ; konzuru tokinba tokoro o shiru. Kokoro kotoni arazareba, raiki mata omomuku. Dôzureba kakyu o nashi, tagaeba kocho ni otsu. Haisoku tomoni hi nari ; taikaju no gotoshi. Tada monsai ni arawaseba, sunawachi zenna ni zokusu. Yahan shomei, tengyô furo. Mono no tame ni ori to naru ; mochiite  shoku o nuku. Ui ni arazu to iedomo, kore go naki ni arazu. Hôkyô ni nozonde, gyôyô ai miru ga gotoshi. Nanji kore kare ni arazu, kare masani kore nanji. Yo no yôni no gosô gangu suru ga gotoshi. Fuko furai fuki fujû ; baba wawa : uku muku. Tsuini mono e ezu ; go imada tadishi karazaru ga yue ni. Jûri  rikkô, henshô ego, tatande sant o nari; henji tsukite go to naru. Chisô no ajiwai no gotoku, kongô, no cho no gotoshi. Shôchû myôkyô, kôshô narabi agu. Shu ni tsûji to ni tsûzu, kyôtai kyôro. Shakunen  naru tokinba kitsu nari ; bongo subekaraza. Tenshin ni shite myô nari, meigo ni zoku sezu. Innen jisetsu, jakunen toshite shôcho su. Sai ni wa muken ni iri, dai ni wa hôjo o zessu. Gôkotsu no tagai, ritsuryo ni ôzezu. Ima tonzen ari,  shûshu o rissuru ni yotte.Shûshu waqkaru, sunwachi kore kiku nari. Shû tsûji shu kiwamaru mo, shinjô ruchû.Hoka jaku ni uchiugoku wa,tsnageru koma,fukuseru nezumi. Senshôkore o kanashinde, hô no dando to naru. Sono tendô ni shitagatte, shi o motte so to nasu. Tendô sô messureba, kôshin mizukara yurusu. Kotetsu ni kanawan to yôseba, kô zenko o kanzeyo. Butsudô o jôzuruni annan toshite, jikkôju o kanzu.   Tora no kaketaru ga gotoku, uma no yome no gotoshi. Geretsu aru o motte, hôki chingyo.  Kyôri aru o motte, rinu byakko.   Gei wa gyôriki o motte, ite hyappo ni atsu. Senpô ai ô, gyôriki nanzo azukaran. Bokujin masa ni atai, sekijo tatte mô Jôshiki no itaru ni arazu, mushiro shiryo o iren ya. Shin wa kimi ni bushi, ko wa chichi ni junzu. Junzezaraba kô ni arazu, busazareba hi ni arazu. Senkô mitsuyô wa, gu no gotoku ro no gotoshi.   Tada yoku sôzoku suru o    shuchu no shu to nazuku.

SANDOKAI

Chikudo daisen no shin,  tôzai mitsu ni aifu su. Ninkon ni ridon ari, dô ni nanboku no so nashi. Reigen myô ni kô kettari, shiha an ni ruchû su. Ji o shû suru mo moto kore mayoi; ri ni kanô mo mata satori ni arazu.  Mon mon issai no kyô ego tof u ego to. Eshite sarani ai wataru: shikarazareba kurai ni yotte jû su. Shiki moto shitsu zô o kotoni shi; shô moto rakku o koto ni su. An wa jôchû no koto ni kanai; mei wa seidaku no ku o wakatsu. Shidai no shô onozukara fukusu, kono sono haha o uru ga gatoshi. Hi wa nesshi, kaze wa dôyô, mizu wa uruoi, chi wa kengo. Manoko wa iro, mimi wa onjô, hana wa ka, shita wa kanso. Shikamo ichi ichi no hô ni oite, ne ni yotte habunpu su.  Honmatsu subekaraku shû ni kusubeshi: sonpi sono go o mochiyu. Meichu ni attatte an ari, meisô o motte miru koto nakare. Meian ono ono aitai shite hisuru ni zengo no ayumi no gotoshi.   Banmotsu onozukara kô ari, masani yô to sho to o iu beshi. Jison sureba kangai gasshi; riôzureba senpô sasô.  Koto o ukete wa subekaraku shû o e subeshi; mizakara kiku o rissuru koto nakare. Sokumoku dô o esezunba, ashi o hakobu mo izukunzo michi o shiran.  Ayumi o susumureba gonnon ni arazu, mayôte senga no ko o hedatsu.    Tsutsushinde san gen no hito ni môsu,     koin munashiku wataru koto nakare